Dag 1:

We vertrekken van Brussel Zaventem. De vliegtijden zijn comfortabel: vetrek om 13.30 uur, aankomst Djerba, Tunesië, 16.30 uur.

Iedereen is opgewekt en heeft er zin in. In het vliegtuig is er nog even tijd om bij te komen en nader met elkaar kennis te maken.

In Djerba komen we aan in een enorm witte, lege aankomsthal. We worden opgewacht door onze gidsen, Ali en Ali en door onze chauffeurs, Mufta en Ali (ja, ook alle Tunesiërs heten Ali!).

We krijgen meteen allemaal een grote fles drinkwater. Het is weliswaar niet heel warm, maar het water is zeer welkom.

In nog geen halfuur zijn we bij ons hotel “Le grand Bleu”: aan zee en aan de rand van het centrum van Houmt-Souk, de grootste stad van het eiland. Het is een rustig, ruim en voor onze begrippen eenvoudig hotel waar ook veel Tunesische (zaken) mensen overnachten.

Na een maaltijd in een nabijgelegen restaurant, heerlijke gegrilde vis gegeten, houden we de dag voor gezien en zoeken ons bed op.

Dag 2:

We vertrekken meteen na het ontbijt en zijn al voor negenen bij de veerpont, die ons naar het vasteland gaat brengen. Maar we zijn niet de enigen: er staat een lange rij auto’s, bestelwagens en kleine vrachtwagens voor ons. De zon schijnt helder, maar door de wind voelt het fris aan. De fotografen onder ons zien hun kans schoon: er liggen hier veel in felle kleuren geschilderde vissersbootjes op de kant.

Na de overtocht nemen we geen pauze meer: We rijden door het berglandschap waar de Berbers wonen, door de oude stad Matmata en daarna door het vlakke kale landschap dat steeds meer woestijn wordt. In Douz, een woestijnstad, gaan we nog een sikh kopen: een kleurige sjaal die op een bepaalde manier om je hoofd gewikkeld wordt en die je beschermt tegen zon, wind en koude.

Het laatste stukje van de tocht rijden wij met zijn allen in de 4wheel-drive door de woestijn naar ons eerste kamp, dat omringd door bloeiende bremstruiken is opgeslagen. De kamelendrijvers en de kamelen wachten ons op. We maken kennis met Ali (het is echt waar) en Bilgassem, onze kok. Er zijn maar liefst 9 kamelen, die onze bagage, ons eten, water, matrasjes, de grote tent en niet te vergeten hun eigen voer dragen. We kunnen meteen eten, een heerlijke gevulde soep en daarna is het tijd om te niksen en aan de woestijn te wennen. Een aantal van ons besluiten in de grote bedoeïenen tent te slapen en niet in hun eigen tentje. Bernard en ik kijken op een hoge duin stil naar de ondergaande zon. Dit is de woestijn.

Dag 3:

Na een heerlijk ontbijt, rond een vuur, met warm, versgebakken brood, vijgenjam en koffie, worden de kamelen zorgvuldig beladen en gaan we op pad.

Niemand wil op een kameel zitten: eerst willen we ervaren hoe het loopt in de woestijn. Het is wennen: we lopen duin op en duin af. Soms is het zand stevig en loopt het gemakkelijk; soms zacht en zak je weg. De lucht is blauw met hier en daar een wolk. We krijgen het al snel warm en de fleece truien gaan uit, zonnebrillen en zonnebrand op. Wat is het hier mooi: zo weids en de duinen zijn steeds anders van vorm. We komen langs een paar moskeeen waarvan er een bijna helemaal onder het zand verdwenen is. Tot vijftig jaar geleden woonde hier een familie. De vrouw was genezeres. De mensen kwamen van heinde en verre naar haar toe. Zij ligt met haar man begraven in een van de moskeeen.

Na bijna 3 uur lopen mogen wij in de schaduw onder een grote geurende brem op de matrasjes liggen terwijl onze bedoeïenen vuur maken en onze kok de lunch bereidt. ‘s Middags lopen we nog ruim een uur: het hagelt een beetje en we schuilen achter de kamelen. Ons nachtkamp is op een vlak terrein met lage struiken. De kok zet ons aan het werk: er moeten groenten schoongemaakt worden. We eten couscous met een heerlijk groentesaus.

En daarna, bij het vuur en onder een deken, leest Geert ons voor uit een verhaal over een witte kameel en zijn eigenaar. Het heet “Goudstof” en is geschreven door Ibrahim Al-Koni.

Dag 4:

Het is kwart voor zeven als ik mijn tent uit stommel: de zon komt al bijna op. Ik geniet van dit prachtige begin van de dag. Je kunt nergens zo goed mediteren als in de woestijn bij de opgaande- en ondergaande zon. En karate oefeningen passen vreemd genoeg ook goed.

Als ik weer bij het kamp kom zie ik de rook van de vuren en ruik ik het versgebakken brood.

Vandaag een strakblauwe lucht en weinig wind. We lopen door hoge, lichtgele duinen. De Bedoeïenen doen kunstjes op de kameel en Ali A. verbiedt de mannen uit onze groep zeer beslist hun voorbeeld te volgen. Zijn verantwoordelijkheidsgevoel dwingt respect af.

Vandaag gaat bijna iedereen op een kameel zitten. Als je je overgeeft aan de schommelende gang, is het heerlijk. Petra maakt van iedereen in wisselende combinaties foto’s.

‘s Avonds bij de schemering, beklimmen wij een hoge duin en kijken naar de ondergaande zon en het steeds donker wordende landschap. We zijn nu zo los van ons leven in Nederland. We zijn helemaal in de woestijn en het is hier zo stil, afgezien van het geanimeerde gepraat van onze bedoeïenen. Hun zangerige taal past helemaal bij dit zachte stille landschap. Die avond dansen we voor het eerst op de muziek die onze reisbegeleiders iedere avond maken. Ali C, zoals wij hem noemen, begeleidt de zanger op een grote vlakke trom. We weten niet wat hij zingt, maar het lijkt een ondeugend lied. Iedereen zingt het refrein mee.

Dag 5:

Oei, wat was het koud vannacht! Het water in de fles was bevroren!

Niet iedereen was op deze vorst voorbereid. Ook onze bedoeïenen hebben het koud gehad. Zij slapen onder de blote hemel, terwijl wij in een (halfopen) tent slapen.

Het vuur bij het ontbijt en de prachtige ochtend warmen ons op. Arita Baaijens, de Nederlandse woestijn reiziger, die jaren lang alleen met haar kamelen door de woestijn van Egypte en Soedan trok en over haar tochten diverse boeken schreef, komt uitgebreid ter sprake.

We helpen bij het opladen van de kamelen. Ze protesteren heftig als de zware jerrycans met water op hun rug worden gehesen en met touwen worden vastgesjord. Daarna schikken ze zich in hun lot en concentreren ze zich op het bemachtigen van de resten van onze avondmaaltijd. Ze kunnen wel 200 kilogram dragen.

Vandaag doen wij Bir Boubakkir aan: een natuur reservaat waarbij aan de rand een bewaakte drinkplaats voor de kamelen is. De pomp wordt met zonnepanelen gevoed. Nadat onze kamelen hebben gedronken vervolgen wij onze weg. We komen door een vlakte waar vuurstenen en pijlpunten gevonden kunnen worden. Dit heeft op sommigen van ons een onweerstaanbare aantrekkingskracht. Er wordt enthousiast gespeurd en een paar gelukkigen vinden ook echt iets!

Het laatste gedeelte van de tocht gaat over hoge, kale zandduinen. Wie loopt er naar de top en laat zich door de zwaartekracht naar beneden voeren?

We slaan ons kamp op in een mooi begroeide strook. Deze middag lopen wij niet meer. We hebben “vrij”. Die avond mediteren wij allemaal bij de zon die in prachtige kleuren ondergaat. Voor sommigen van ons een eerste kennismaking.

Vanavond vertelt Ali B ons voor het eten over de Bedoeïenen en hun gewoonten. De Bedoeïenen wonen sedert 40 jaar in dorpen: zij moesten hun nomadische bestaan in de woestijn opgeven, omdat hij te droog werd en er te weinig voedsel was voor hen en de dieren. Maar ieder jaar, in de lente trekken zij met hun families weer de woestijn in en leven daar als vroeger. De Bedoeïenen houden allemaal van de woestijn: zij voelen zich er thuis en vrij. Wij ervaren tijdens deze tocht de liefde die zij voor de woestijn hebben.

Dag 6:

Alweer onze laatste tocht door de woestijn. Het waait flink en onderweg trekt de wind aan. Wij mogen dit volgens Ali B een zandstorm noemen. De fototoestellen worden omzichtig gebruikt, wat niet kan voorkomen dat er eentje vastloopt. Het opwaaiende zand is zo fascinerend. Je moet gewoon een foto maken. We trekken in een lange slinger over een heel vlak, kaal gebied. Onze gidsen lopen voorop en praten met elkaar. Rian loopt zoals gewoonlijk ook voorop. Zij is onze oudste deelnemer, maar heeft een betere conditie dan de meesten van ons.

Wij komen in de buurt van een dorp, want wij zien een herder met zijn kudde. En dan een waterput. De lunch is, zoals gewoonlijk, heerlijk. Wij worden verwend met een fijne ligplaats uit de wind en in de schaduw. Na nog een flink stuk lopen komen wij in ons laatste kamp.

De laatste avond in de woestijn. Onze Bedoeïenen krijgen na het eten bedankjes van ons en een enveloppe met fooien, een voor hen zeer belangrijke financiële bijdrage. Ze willen nog een keer de foto van het paard van Ineke zien. Er volgt een felle discussie over het dier, die wij helaas niet kunnen volgen.

Geert leest nog een keer voor en op verzoek lees ik een soefi gedicht van Hafiz. Bernard vertaalt het in het Duits en Ali B in het arabisch.

Dag 7:

De wind is gaan liggen. het wordt de warmste dag tot nu toe. We breken het kamp op en laden alles in de 4wheel drive, die ons komt halen. We brengen een bezoek aan de familie van Ali A. Zijn vrouw en oudste en jongste dochter zijn thuis. Rian koopt een prachtige witte wollen deken, die de vrouwen zelf ze maken en waarmee ze graag iets verdienen.

In Douz stoppen wij een uurtje en kopen we kadootjes voor thuis. We lunchen in een restaurant dat in de rotsen is uitgehouwen en daarna brengen wij een bezoek aan een rotswoning waar de vrouw des huizes ons laat zien hoe ze graan maalt en waar we op thee getrakteerd worden.

De terugreis verloopt snel en we zijn nog op tijd om op Djerba voor het avondeten keramiek servies voor thuis te kopen.

Dag 8:

in de vroege ochtend verlaten we ons hotel en de beide Ali’s brengen ons tot aan de incheckbalie op het vliegveld. Het afscheid is heel hartelijk. Deze reis is voor ons onvergetelijk.